Traditionele bouwwerken - PassivePlus

Traditionele bouwwerken - PassivePlus

  Traditionele bouwwerken

Inrichting van de bouwplaats

Werfborden
Daar waar de bouwplaats grenst aan openbaar domein plaatst de aannemer de nodige signalisatie die voldoende doeltreffend is om onbevoegde personen te weren, alsook de veiligheid van het verkeer te waarborgen. Deze zal behouden blijven tijdens de volledige afwerking van de gebouwen tot op het ogenblik van de voorlopige oplevering. Het aantal, de plaats van inplanting en de hoedanigheid van de signalisatieborden dienen in overeenstemming te zijn met de plaatselijke geldende bouwreglementen en politieverordeningen.
De aannemer zorgt tevens voor de wettelijke veiligheidsborden op de werf zelf, zoals beschreven in het V&G-plan.

Voorlopige omheiningen
De aannemer plaatst een voorlopige en doeltreffende afsluiting rondom de bouwplaats om te beletten dat derden deze zouden betreden.
De afsluiting langsheen de openbare weg moet beantwoorden aan de plaatselijke geldende bouwreglementen en politieverordeningen.
De voorziene huurperiode bedraagt 20 weken.
De omheining blijft eigendom van de aannemer en wordt weggenomen zodra dit, op grond van de vordering van de werken, mogelijk is.
De omheining bestaat tenminste uit geprefabriceerde panelen uit gegalvaniseerde of geplastificeerde metalen buiskaders, waartussen een draadnet van het kleine ruittype is bevestigd.
De panelen worden geplaatst in verplaatsbare voetstukken. De hoogte van de omheining is tenminste 1,80 m.

Afplanking van trapgaten
Als valbeveiliging plaatst de aannemer vanaf de ruwbouwfase een voorlopige leuning om het trapgat en/of vide af te sluiten.
Leuning dient als volgt opgebouwd : een stootplank onderaan, een tussenleuning op +/- 60 cm, een leuning op minstens 90 à 100 cm.
Deze voorlopige leuning dient behouden te blijven tot plaatsing van de definitieve leuning.

Afplanking van ramen tot op de grond op verdiepingen
Als valbeveiliging plaatst de aannemer vanaf de ruwbouwfase een voorlopige leuning om alle raamopeningen op de verdieping(en) met een borstwering van minder dan 90 cm af te sluiten. Leuning dient als volgt opgebouwd : een stootplank onderaan, een tussenleuning op +/- 60 cm, een leuning op minstens 90 à 100 cm.
Deze voorlopige leuning dient behouden te blijven tot plaatsing van het buitenschrijnwerk.

Stellingen en steigers
De stellingen en steigers beantwoorden aan de bepalingen van het Algemeen Reglement op de Arbeidsbescherming (ARAB).
Ze worden aldus opgevat dat ze de werklieden volkomen veiligheid bieden en tevens het Bestuur in staat stellen de werken van dichtbij te volgen.
Borstweringen en handgrepen zijn te voorzien rond de werkvloeren. De stellingen worden, afhankelijk van de uitvoeringsvolgorde steeds aangebracht over gebouwdelen die als geheel behandeld worden.
Ze worden er zo lang behouden tot alle beschreven werken voltooid en gecontroleerd zijn door het Bestuur.
Alle openingen welke nodig zijn om de stellingen te verankeren moeten bij het demonteren terug in de oorspronkelijke staat hersteld worden.
Elk rechtstreeks contact van metaal en parement wordt vermeden door tussenvoeging van speciale (of houten) stukken.
De stellingen en steigers aan de straatzijde worden voorzien van de nodige signalisatie, verlichting en beveiliging volgens de geldende reglementering. Het bekomen van de vergunning en te betalen taksen zijn ten laste van de aannemer.


Grondwerken

De werken omvatten de uitgravingen:
· voor funderingssleuven.
· voor bouwputten.
· voor het leggen van ondergrondse leidingen.
· voor het afgraven van het terrein.
De grond wordt opgeslagen op het terrein op max. 20 m van de bouwplaats.
Bij het vaststellen van grotere hindernissen of ernstige gebreken in de grond die de stabiliteit en/of het gebruik van de constructie nadelig kunnen beïnvloeden zoals slappe grondlagen, allerhande ongekende ondergrondse constructies (zoals oude funderings- en metselwerkmassieven, oude rioleringsbuizen, oude riolerings- of waterputten, enz.) en alle hindernissen zoals ingegraven puin, wortelstronken, enz. verwittigt de aannemer de werfleiding die verdere instructies geeft voor het verwijderen van de hindernissen, of het oplossen of saneren van het gebrek. De werken voortvloeiend uit deze instructies worden achteraf verrekend na overeenkomst over de prijs.
Indien de op de plannen of in het bestek voorziene diepte niet voldoende is, zijn de meerwerken verrekenbaar in de diepte, doch niet in de breedte.
De funderingssleuven en bouwputten worden waterpas en zuiver uitgegraven tot op het niveau aangegeven op de uitvoeringsplannen.
De wanden van de funderingssleuven en bouwputten worden zoveel mogelijk vertikaal uitgegraven volgens de regels van goede vakmanschap en de voorschriften ter zake voorzien van de vigerende wetgeving.
De aannemer is verplicht de VLAREBO-procedures te respecteren, o.a. wat betreft en technische verslagen en bodembeheerrapporten.

Klaarleggen van de bouwplaats
De te bouwen woning wordt door de hoofdaannemer uitgezet en ingeplant op het bouwterrein ter hoogte van de bouwzone volgens de goedkeuring van Stedebouw en in samenspraak met de Stedebouwkundige Dienst van de gemeente.

Afgraven en stapelen van teelaarde
De teelaarde wordt weggenomen op al de delen van het terrein, waarop de bouwwerken zullen worden opgericht of de overtollige grond zal worden gestort.
De graszoden en bovenste grondlaag (teelaarde) worden over een dikte van 15 cm afgeschept.
Op vraag van de aannemer duidt de werfleiding in overleg met de bouwheer de plaatsen aan waar de teelaarde moet opgeborgen worden.
Die plaatsen mogen ten hoogste 20 m verwijderd zijn van de buitenomtrek van het op te richten gebouw.
Zo geen afzonderlijke ontzoding wordt voorgeschreven, mogen de aanwezige grassen en hun wortels samen met de teelaarde in één laag worden verwijderd.

Uitgravingen voor funderingszolen
De sleuven worden uitgegraven tot op de drukvaste bodem met een minimumdiepte van 80 cm onder het bestaande maaiveld en 100 cm onder de pas van het te verwezenlijken maaiveld.
De uitgegraven hoeveelheden zijn voor rekening vatbaar in de diepte, doch niet in de breedte, indien de op de plannen en in het lastenboek voorziene diepte niet voldoende zou zijn.
De juiste diepte van de uitgravingen worden verrekend volgens de leveringsbonnen van de funderingsbeton.
Iedere funderingszool wordt aangezet op vorstvrije diepte en minstens 0,80 m onder het toekomstige maaiveld.
Inlichtingen omtrent de aard van de ondergrond en de grondwaterstand zijn vermeld in het sonderingsverslag dat ter inzage ligt bij de werfleiding.

Uitgravingen voor grondbuis AWW
De bodemwisselaar is een gesloten systeem van 32 mm PE-buizen tussen de 80 a 160 m lang en op een diepte van 1,2 a 1,5 meter.
Deze worden aangesloten via een circulatiepomp aan een bodem/lucht warmtewisselaar op de frisse lucht aanzuigleiding van het ventilatiesysteem.
Zodoende wordt een stabiele bodemtemperatuur van 12°C gebruikt als voorverwarming in de winter en koeling in de zomer






Aanvullingen en ophogingen
De wederaanvullingen betreffen alle randopvullingen en/of ophogingen van de respectievelijke zone rondom of tussen de gerealiseerde funderingen; kortom, het terug onder profiel brengen ervan overeenkomstig de uitvoeringsplannen. In overeenstemming met de algemene en/of specifieke bepalingen van het bijzonder bestek, dienen de onder deze post begrepen eenheidsprijzen, hetzij volgens uitsplitsing in de samenvattende opmeting, hetzij in hun globaliteit, steeds te omvatten
· het verwijderen van alle puin en afval uit de aan te vullen putten en oppervlakken.
· het leveren en/of het geschikt maken van de uitgegraven grond / teelaarde als aanvullingsmateriaal;
· het spreiden van de aanvullingsmaterialen in correct opeenvolgende lagen (bv. laatste laag teelaarde)
· de verdichting (aandammen, walsen, …) van het aanvullingsmateriaal.
De aanvullingen / opvullingen begrepen in de voorafgaande graafwerken (machinale nivellering) maken automatisch deel uit van deze posten.
Afzonderlijke omgevingswerken maken geen deel uit van dit artikel.
De wederaanvullingen van sleuven voor rioleringsleidingen en putten van rioleringselementen zijn begrepen in de respectievelijke eenheidsprijzen van deze elementen.
De bodem wordt, op de plaatsen die moeten worden opgehoogd, gezuiverd van alle stoffen die de binding van de aangevoerde aarde aan de reeds aanwezige grond in het gedrang zouden kunnen brengen, zoals wortels, boomstronken, hagen en ander afval.
De aanvullingen mogen pas worden uitgevoerd indien de elementen die met de aanvullingen in contact komen een voldoende sterkte hebben bereikt om de aanvullingswerken en het aangevulde volume zonder enige schade te weerstaan.
De aannemer zal rekening houden met het verdichten en het inklinken van de aangevoerde materialen zodat het vooropgesteld afwerkingpeil gegarandeerd wordt.


Funderingen


Funderingen op staal
Het betreft alle niet gewapende zolen en funderingsvoeten welke op de plannen zijn aangeduid.
De fundering voor rioleringen en omgevingswerken maken geen deel uit van dit artikel.
De diepte van de funderingen is uit te voeren tot op vorstvrije diepte, op draagkrachtige grond en/of in overeenstemming met bijzondere plaatselijke bouwreglementen.
De afmetingen van de funderingen op staal worden opgegeven in de uitvoeringsplannen.
Als tijdens de uitvoering blijkt dat de bodem niet de eigenschappen bezit die uit het voorafgaand bodemonderzoek waren gebleken beslist de werfleiding in overleg met de aannemer, welke maatregelen genomen worden. De werken voortvloeiend uit deze maatregelen worden achteraf verrekend na overeenkomst over de prijs.
In geval de fundering gewapend wordt, zullen de nodige afstandshouders worden geplaatst om de vereiste betondekking te bekomen. Wapeningsnetten worden geplaatst met een overlapping van een volle maas en aan de hoeken gebonden.
Het beton wordt zo vlug mogelijk na de uitgraving van de sleuven gestort op een effen, droge, stabiele en schone ondergrond voorzien van een geomembraan. Het beton wordt zodanig gestort en verdicht dat er geen enkele holte tot stand komt.
Het bovenvlak wordt horizontaal en effen afgewerkt tot op de vereiste peilen.
Indien op het moment van het storten de bodem van de uitgegraven sleuf te sterk uitgedroogd of doorweekt is of blootgesteld is geweest aan vorst/dooi-cycli, moet de aangetaste laag worden verwijderd en vervangen door verdicht zand.
De funderingsstroken moeten ononderbroken gebetonneerd worden tot aan de eventuele zettingsvoegen.
De aannemer voorziet de nodige bescherming van de betonoppervlakken bij nadelige weersomstandigheden.
In de funderingen voorziet de aannemer de nodige uitsparingen, leidingdoorvoeren en zettingsvoegen zoals aangeduid op de plannen.
Eventuele zettingsvoegen worden uitgevoerd door middel van een samendrukbare voeg (bijvoorbeeld van geëxpandeerd polystyreen) van minimum 10 mm dikte.
De aannemer voorziet de nodige bescherming van de betonoppervlakken bij nadelige weersomstandigheden.


Draagvloeren op volle grond
Het betreft het leveren, uitstorten en spreiden op de gewenste dikte van beton, het leveren en plaatsen van de voorziene wapeningen, en het horizontaal vlak maken van het bovenvlak. Deze betonlaag is dienstig als dragend structuurelement voor de verdere vloeropbouw en de voorziene gebruikslast. De werken omvatten :
· de eventueel vereiste randbekistingen en ontkistingswerken
· de voorziene uitsparingen
· de levering en plaatsing van de wapeningen, met inbegrip van de voorzieningen en hulpstukken (afstandshouders, …) voor het plaatsen en bevestigen
· de levering en verwerking van het stortklaar beton
· de uitvoering van de nodige scheidings- en verdeelvoegen
· de eventuele bescherming van de betonoppervlakken bij nadelige weersomstandigheden
De draagvloeren worden aangelegd op een aangedamde effen droge en zuivere bodem, geprofileerd en vlak afgetrokken.
De randbekistingen zijn in dit artikel begrepen. De vloeren worden los van de wanden gelegd door tussenvoegen van stroken geëxpandeerd polystyreen van minstens 5 mm dik.
Bij grote lengten wordt minstens om de 15 m een verdeelvoeg uitgevoerd.
De eventueel vereiste randbekistingen worden uitgevoerd met ongeschaafde planken van grenenhout of evenwaardig ter goedkeuring voorgelegd materiaal.
Zij zijn voldoende dicht uitgevoerd om verlies van cementmelk te voorkomen.
Het beton wordt zodanig gestort en verdicht dat er geen enkele holte tot stand komt.
Het bovenvlak van de versgegoten betonplaat wordt afgestreken met een rei.
De aannemer voorziet de nodige bescherming van de betonoppervlakken bij nadelige weersomstandigheden.

Geomembranen - polyethyleenfolie
De folies vormen een scheidingslaag tussen de grond en de vloeropbouw.
De dichtingsmaterialen zijn geschikt voor waterdichting van horizontale oppervlakken.
Het betreft in principe dunwandige folies, met eenvormige dikte, vervaardigd uit waterdichte rotvrije kunststof hetzij de overeenkomstig het bijzonder bestek voorgeschreven dichtingsmembranen.
De folies mogen niet kleven of gescheurd zijn en worden zoveel mogelijk uit één stuk voorzien.
Zij worden gestapeld op een beschutte plaats. De aannemer plaatst het dichtingsmembraan binnen de juiste vloeropbouw.
De aannemer neemt de nodige voorzorgen tegen de beschadiging van het dichtingsmembraan.
De contactvlakken zijn zuiver en vlak zodat perforaties worden voorkomen. De folies worden zoveel mogelijk in 1 stuk gelegd; niet te vermijden naden zullen een overlapping hebben van minstens 30 cm en dubbel in elkaar worden geplooid.
Hiervoor wordt de eerste folie 30 cm dubbel geplooid, de tweede folie wordt erover gelegd en het geheel wordt dan 15 cm teruggeplooid.
Ze worden voldoende opgetrokken tegen de muren. De folie wordt haaks omgebogen tegen het opgaand metselwerk tot minstens 2 cm boven het afgewerkte vloerpeil.
De aannemer neemt de nodige voorzorgen tegen beschadiging van de folie. De beschadigde delen worden hersteld met een bijkomend stuk folie, steeds met minstens 30 cm overlapping.
Folie van 0.2 mm dikte, te plaatsen onder de funderingen volgens aanduiding van de plannen.
Deze laag wordt zoveel mogelijk in 1 stuk gelegd; niet te vermijden naden zullen een overlapping hebben van minstens 30 cm en dubbel in elkaar worden geplooid.
Hievoor wordt de eerste folie 30 cm dubbelgeplooid, de tweede folie wordt erover gelegd en het geheel wordt dan 15 cm teruggeplooid.
De folie wordt haaks omgebogen tegen het opgaand metselwerk tot 20 cm boven het vloerpeil.

Aardingslussen
Voor elk nieuw gebouw, waar bij graafwerken een diepte van minstens 60 cm bereikt wordt, moet de aardelektrode tenminste bestaan uit een aardingslus die aangebracht wordt op de bodem van de funderingssleuven van de buitenmuren.
De aardingslus bestaat hetzij uit een volle, niet-geïsoleerde geleider uit blank of verlood koper, hetzij uit zeven samengeslagen draden van half soepel koper, met een rondvormige doorsnede van 35 mm2 en zonder las, rondom rond in de funderingssleuf van de buitenmuren te plaatsen. Het gebruik van een zeer soepele geleider, dus samengesteld uit menigvuldige kleinere koperen draadjes, of soepele tres, zijn verboden.
Ondergrondse water- en gasleidingen mogen nooit aangewend worden als aardverbinding.
De spreidingsweerstand van de aardingslus dient kleiner te zijn dan 100 ohm. (max. toegelaten door het A.R.E.I.)
De aardingslus wordt gelegd op een ongeroerde grond op de bodem van de funderingssleuven bij voorkeur aan de buitenzijde onder de buitenmuren, en zodanig bedekt met een dikke laag goede aarde (min 5 cm) dat ze in geen enkel geval in aanraking komt met het materiaal van de funderingsmuren (mortel, beton, bewapening…) of zodat elk contact tussen de aardingslus en de fundering vermeden wordt.
De aardingslus wordt uit één stuk vervaardigd. Indien dit niet mogelijk is, worden de verbindingen zichtbaar uitgevoerd aan de buitenzijde van de funderingen, en blijven ze permanent voor nazicht en eventuele herstelling bereikbaar via een voldoende grote controleput. Er mogen geen verbindingen onder de funderingen worden aangebracht.
De twee uiteinden van de aardingslus worden in de nabijheid van de teller of het verdeelbord van de elektrische installatie omhoog getrokken tot min. 1 m boven de vloerpas doorheen soepele PVC-buizen om elk contact met de funderingen te vermijden.
Op een permanent inspecteerbare en bereikbare plaats worden ze aan elkaar verbonden d.m.v. een koperen klemplaat voorzien van een aardingsonderbreker.
De beide uiteinden komen verder op geen enkele plaats met elkaar in contact.
Indien geen aardingslus kan worden geïnstalleerd (bijvoorbeeld wanneer de diepte van de funderingssleuf onvoldoende is) of wanneer de spreidingsweerstand van de aardelektrode, gevormd door de aardingslus, onvoldoende klein is moet gebruik worden gemaakt van de aardelektroden die verder “bijkomende aardelektroden” worden genoemd.


Rioleringen


Het betreft alle ingegraven afvoerleidingen bestemd voor de afvoer van afvalwater en regenwater, afkomstig van leidingen, toestellen en putten.
In overeenstemming met de algemene en/of specifieke bepalingen van het bijzonder bestek, dienen de onder deze post begrepen eenheidsprijzen, hetzij volgens uitsplitsing in de samenvattende opmeting, hetzij in hun globaliteit, steeds te omvatten :
de uitgravingen, de schoor- en stutwerken, de funderingen;de leidingen, alle hulpstukken ( bochtstukken, T-stukken, Y-stukken, verloopstukken, aansluitstukken, eindinspectiestukken met schroefdop, verluchtingen, dichtings- en uitzettingsmoffen, bevestigingsmaterialen, ...);de koppelstukken en verbindingen met de putten en toestellen;de muurdoorgangen en inkokeringen; de dichtheidscontrole, de wederaanvullingen;het afvoeren, vervoeren en storten van de overtollige grond buiten de bouwplaats, alle werken voor het voorlopig afvoeren van het oppervlaktewater; de as-built-plannen van het rioleringsstelsel ; ….
De rioolbuizen zijn bestand tegen corrosie, tegen oplosmiddelen en wasmiddelen, alsook bestand tegen temperaturen tot 90°C.
Alle buizen en hulpstukken nodig voor een goede uitvoering zijn onderling compatibel. Het gamma van de fabrikant voorziet daarbij in alle vereiste bocht- en verloopstukken, eindinspectiestukken, sifonstukken, … De te voorziene diameters van de buizen stemmen overeen met de aanduidingen op de rioleringsplannen.
Tijdens de werken worden de moffen afgedekt met een beschermkapje.
Buiten worden op analoge wijze de voorlopig openstaande buizen afgedekt zodat er geen vuilresten, grond e.d. in kunnen terechtkomen.
De buizen moeten over hun ganse lengte ondersteund worden door een aangepaste bedding. Ter plaatse van de verbindingen van de buizen worden in het funderingsbed tijdelijke uitsparingen aangebracht die het mogelijk maken de verbindingen af te werken over de volledige omtrek van de buizen, de waterdichtheid ervan te controleren en de kragen of verbindingsstukken aan te brengen. De sleuven worden tot aan de bovenzijde van de buizen wederaangevuld en aangedamd in lagen van maximum 20 cm oorspronkelijke dikte, met een constant niveauverschil van 10 tot maximaal 30 mm per meter.

Rioleringsbuizen
Onder de buizen wordt een zandbed van 5 cm dikte aangebracht. De sleuven worden opgevuld en aangedamd met zuivere aanvulgrond tot aan de bovenzijde van de buizen. De plaatsing gebeurt volgens de aanwijzingen in de plannen, met een constant niveauverschil van 10 tot maximaal 30 mm per meter, teneinde een vlugge lozing van het afval- en huishoudwater te verzekeren. De buizen zijn uitgerust met de nodige toezichtstukken, ellebogen, verbindings- en verloopstukken. De uiteinden van de afleiders, overlopen van putten enz. moeten zorgvuldig met de afvoer worden verbonden en indien nodig uitgewerkt in het metselwerk. Voor de aansluiting van de Wc-toestellen neemt de aannemer de nodige inlichtingen bij de werfleiding om de juiste asafstand ten opzichte van de nabije muur te kunnen bepalen. Buizen, die vertikaal geplaatst of opgehangen moeten worden, dienen voorzien te zijn van hiervoor aangepaste bevestigingsmaterialen. De voorschriften van de fabrikant dienen hierbij strikt nageleefd te worden. Principieel mogen de beugels niet meer dan 2 meter uit elkaar staan. Vóór en na iedere verbinding bedraagt deze tussenafstand maximaal 0,75 m. De buizen en hulpstukken zijn vervaardigd uit hard polyvinylchloride (PVC) waaraan geen weekmakers werden toegevoegd (ongeplastificeerd PVC-U), hebben een grijze of roodbruine kleur, zijn op een onuitwisbare wijze voorzien van het BENOR-merk van overeenkomstigheid met de Belgische Norm NBN EN 1401-1 en behoren tot de klasse SN 2 of hoger. De diameter en wanddikte staat tevens vermeld op de buis. Binnendiameters : volgens aanduidingen op plan. Wanddikte : minimum 3,2 mm en tenminste de wanddikte van de aangrenzende buis met de grootste wanddikte.
Buizen, die vertikaal geplaatst of opgehangen moeten worden, moeten voorzien zijn van hiervoor aangepaste bevestigingsmaterialen. De voorschriften van de fabrikant dienen hierbij strikt nageleefd te worden. Principieel mogen de beugels niet meer dan 2 meter uit elkaar staan. Vóór en na iedere verbinding bedraagt deze tussenafstand maximaal 0.75 m. Onder de buizen wordt een zandbed van 5 cm dikte aangebracht. De sleuven worden opgevuld en aangedamd met zuivere aanvulgrond tot aan de bovenzijde van de buizen. De plaatsing gebeurt volgens de aanwijzingen in de plannen, met een constant niveauverschil van 10 tot maximaal 30 mm per meter. De uiteinden van de afleiders, overlopen van putten enz. Moeten zorgvuldig met de afvoer worden verbonden en indien nodig uitgewerkt in het metselwerk. De verwerking en verbindingen worden uitgevoerd volgens de voorschriften van de fabrikant. De leidingen die blootgesteld zijn aan temperaturen lager dan 5°C, en die mogelijk stoten kunnen ontvangen, dienen hiertegen te worden beschermd.

Wachtbuizen
Nutsvoorzieningen zijn inbegrepen tot net buiten de funderingswand. Verdere aansluitingen tot tegen de rooilijn zijn niet inbegrepen in deze meetstaat.
Het binnenbrengen van de verschillende nutsleidingen gebeurt via gladde wachtbuizen. Twee wachtbuizen met diameter 110 mm, één wachtbuis diam 75 mm en twee wachtbuizen met diameter 50 mm, eventueel voorzien van een trekdraad. De wachtbuizen vertrekken vanaf de aansluitbocht en eindigen naast elkaar aan de rooilijn. Ze worden loodrecht op de rooilijn geplaatst. Voor een vlot verloop van de aardgasaansluiting moet aan de funderingsmuur, waar de wachtbuizen in de aansluitbocht komen, een put worden gegraven van minstens 1000 mm x 1000 mm x 1000 mm. Aan de straatzijde van de woning werkt de aannemer de aansluitbocht in de gemetste of gegoten fundering. De bovenzijde van de toegangsopeningen in de fundering ligt op minimum 600 mm onder het definitieve maaiveld, daar de leiding voor het drinkwater op de reglementaire vorstvrije diepte moet komen. Om te vermijden dat de toegangsopeningen in een bredere gegoten fundering terechtkomen is een blok in afneembaar polystyreen over de toegangen geschoven. De toegangsopeningen van of naar de aansluitbocht in de woning eindigen minimum 30 mm boven de afgewerkte binnenvloer. Als het nodig is, moeten de toegangen van de aansluitbocht worden verlengd met standaard thermoplastische buizen met gladde binnenwand.

Inspectieputten en syphonputten
Het betreft inspectietoestellen (inspectieputten, huisaansluitputjes, ...), die zijn ontworpen om de leidingen die er in uitmonden te kunnen nazien en reinigen, en verder in hun afvoer via één enkele leiding naar de riolering te voorzien. In de eenheidsprijs zijn begrepen : alle delf- en wederaanvullingswerken, de aansluitingen met de rioleringsbuizen, de levering en montage van prefabelementen, het funderingsbeton, de voorziene ondergrondse afdekking, het metselwerk, de desgevallende bepleistering en bestrijking. De prefab inspectieputten zijn vervaardigd uit niet-geplastificeerd hard PVC (volgens NBN T 42-108). De bodems zijn voorgevormd en geprofileerd in de vloeirichting van de buizen. Zij zijn voorzien van geschikte inlaatstukken, standaard leverbaar en/of in de fabriek geprefabriceerd volgens de plaatsingsplannen te leveren door de aannemer. Voor de aansluitingen worden PVC-hulpstukken gebruikt volgens NBN EN 1329-1, voorzien van lippendichtingen uit Styreen-Butadeen-Rubber (SBR). De wederaanvullingen rond de inspectieputten worden uitgevoerd met : te verdichten zand voor mager beton volgens NBN EN 12620 en NBN EN 13242 / te verdichten gestabiliseerd zand, samengesteld uit 100 kg cement sterkteklasse 32,5 per m3 zand voor mager beton volgens NBN EN 12620 en NBN EN 13242. Inspectieputten welke niet opgetrokken worden tot het maaiveld worden afgedekt met een PVC-deksel, passend op de buisdiameter van de put. Bij inspectieputten welke niet opgetrokken worden tot het maaiveld is het afsluitdeksel steeds in de prijs inbegrepen. Bij toegankelijke putten wordt de standaardhoogte van de put luchtdicht verhoogd tot het gewenste peil d.m.v. een stuk buis van corresponderende diameter. Deksel uit …, overeenkomstig artikel …

Zuivering huisafvalwaters, filter- en bezinkputten
Het betreft toestellen die bestaan uit een kuip, die ingericht is om stoffen, die meegevoerd worden of vermengd zijn met het afvalwater tegen te houden, af te scheiden of te behandelen.
In overeenstemming met de algemene en/of specifieke bepalingen van het bijzonder bestek, dienen de onder deze post begrepen eenheidsprijzen, hetzij volgens uitsplitsing in de samenvattende opmeting, hetzij in hun globaliteit, steeds (respectievelijk) te omvatten:
- de nodige uitgravingen en wederaanvullingen;
- het voorbereiden van de ondergrond waarop of waarin de toestellen moeten worden geplaatst;
- de levering en voorbereiding van de stenen of blokken;
- de levering of bereiding van beton voor de funderingsplaat, van mortel voor het metselen en het cementeren van de wanden. Het storten van de funderingsplaat;
- het leveren en plaatsen van de geprefabriceerde toestellen, met inbegrip van de aansluitingen;
- het metselen van de putwanden en tussenschotten;
- het aansluiten op de aanvoer- en afvoerleidingen;
- het berapen en teren van de buitenwanden van de put;
- het cementeren van de binnenwanden van de put;
- het leveren en plaatsen van de inspectieramen met reukdichte deksels;
- de aanvullingen rondom de put overeenkomstig bijzonder bestek;
- het metselen van het mangat, en aanbrengen van de putrand;
- het leveren en plaatsen van reukdichte en kindveilige deksels en hun inlegkaders (indien niet opgenomen als een afzonderlijk artikel).

Sceptische putten
De geprefabriceerde septictanks zijn vervaardigd uit waterdicht geprefabriceerd beton waarbij bodem, wand en tussenschot in één en dezelfde bewerking worden gestort en getrild.

Regenwaterputten
Op de geprefabriceerde regenwaterputten staat vermeld: de handelsnaam, naam en adres van de fabrikant en nuttige inhoud.
De keuze van het toestel zal eveneens rekening houden met de buisdiameters waarop moet worden aangesloten en/of vice versa.
De putten zijn geprefabriceerd uit waterdicht, goed verdicht beton overeenkomstig STS 35.5. Zij zijn conform PTV119 ‘Geprefabriceerde regenwaterputten van ongewapend, gewapend en met staalvezels versterkt beton’ en/of beschikken over een Benor goedkeuring (attest voor te leggen).
De karakteristieke druksterkte van het beton bedraagt minstens 30 N/mm2. De waterdichtheid bij een druk van 40 kN/m2 moet gegarandeerd zijn.
De wand en bodem moeten uit één stuk zijn. De wanden van de regenwaterput moeten zo berekend zijn dat zij bestand zijn tegen het transport, de plaatsing en de bedrijfsdruk.
De bovenplaat dient naast de vaste overlast te weerstaan aan een gebruiksbelasting van minimum 15 kN/m2.
Wanneer de putten niet opgevat zijn om de voorziene belastingen te dragen, of wanneer de werkelijke belasting hoger ligt dan de voorziene moet er een versterkt deksel worden voorzien of een verdeelplaat in gewapend beton worden gestort.
Een berekeningsnota van de regenwaterput wordt ter goedkeuring aan de architect voorgelegd.
De capaciteit is afhankelijk van de regenwateropvang. Volgens de Code van Goede Praktijk voor Hemelwaterputten en Infiltratievoorzieningen die in Vlaanderen van toepassing is gelden volgende minimale inhouden:

Aanbevolen tankinhoud per horizontale dakoppervlakte:
50 tot 100 m² 5.000 liter
101 tot 120 m² 6.000 liter
121 tot 140 m² 7.000 liter
141 tot 160 m² 8.000 liter
161 tot 180 m² 9.000 liter
181 tot 200 m² 10.000 liter
> 200 m² 5.000 liter per 100 m²
De waarborg van waterdichtheid van de regenwaterput is beperkt tot het niveau van de overloopbuis.
De regenwaterput wordt vervaardigd uit machinaal getrild en gewapend waterdicht beton, waarvan de wanden konisch zijn uitgevoerd.
In de bovenplaat is een vierkant mangat met betonnen deksel voorzien.
De bovenplaat van de put biedt weerstand aan een statische druk van 16 kN/m² (dit stemt overeen met 80 cm aarde). Voor hogere belastingen en/of dynamische belastingen dient een gewapende betonplaat voorzien te worden welke deze belastingen opneemt. De dikte en wapening van deze plaat moet berekend worden door een bevoegd ingenieur. De prefab regenwaterput beschikt over een BENOR goedkeuring. De plaatsing gebeurt conform de voorschriften van de fabrikant op een stabiele en geëgaliseerde ondergrond. Het transport en verplaatsing van geprefabriceerde putten moet voorzichtig gebeuren ter voorkoming van scheurvorming of breuk. Onmiddellijk na de plaatsing dient de bouwput rondom de regenwaterput tot de gewenste hoogte aangevuld te worden met een goede, machinaal in lagen van maximaal 30 cm te verdichten aanvulgrond. Gedeeltelijke opvulling van de regenwaterput met water is noodzakelijk om bij hoge grondwaterstand opdrijven te voorkomen.
Het mangat van de regenwaterput wordt opgemetseld om het deksel op vloerpas of maaiveldniveau te brengen. Hierbij wordt gebruik gemaakt van volle baksteen (volgens NBN B 24-001) en een metselmortel categorie M2 (volgens NBN B 14-001). De muurtjes worden langs binnen en buitenzijde uitgecementeerd (samenstelling : 400 kg cement CEM I 42,5 per m³ droog zand = 1 deel cement voor 3 delen zand). Teneinde een waterdichte cementlaag te bekomen wordt aan het aanmaakwater een vochtwerend produkt toegevoegd dat de sterkte-eigenschappen van de cementpleister niet aantast en vrij is van organische stoffen en oliën. Na voldoende verharding wordt de cementlaag in aanraking met grond bestreken met 2 lagen vernis geactiveerd met steenkoolpek of bitumen (NBN B 46-101) à rato van minimum 200 gr/m² en per laag.
Metsel- en steenwerken


Parementmetselwerk
Het metselwerk wordt uitgevoerd volgens de bepalingen van NBN B24-401.
Stenen met gebroken hoeken of kanten komen niet in het zichtvlak voor.
De nodige voorzorgen worden genomen om een verzorgd en onbesmeurd uitzicht aan het metselwerk te geven en dit te behouden.
Op het einde van elke werkdag worden de bovenste lagen van het metselwerk afgedekt.
Bij warm en droog weer moet het vers metselwerk regelmatig maar licht besproeid worden om uitdroging te voorkomen.
Alle horizontale en verticale voegen worden vol gemetst.
Stukken kleiner dan een halve steen worden niet verwerkt.
Voor de ventilatie van de spouwen worden boven de plint en de lateien en onder de dakrand om de 1 m stootvoegen opengelaten. Deze open stootvoegen worden gemarkeerd tot na de uitvoering van het voegwerk. Maatregelen (kuisopeningen boven de plint, op te trekken lat in de spouw,...) worden getroffen om de spouw rein te houden. Elk rechtstreeks contact tussen het binnen- en buitenspouwblad wordt vermeden. Het tussen te plaatsen materiaal moet verenigbaar zijn met de voegvulling van het schrijnwerk.

Voegwerken op metselwerk
De voegmortel bevat de nodige toeslagproducten om volgende eigenschappen te verzekeren: een goede aanhechting, kleurvastheid, waterdichtheid in de massa, krimp- en barstvrijheid, afwezigheid van faiencering, waarbij uitbloeiïngen en roestvlekken worden vermeden.
Voor alle meegaand opvoegwerk in binnenruimten wordt gebruik gemaakt van de metselmortel. Indien naderhand wordt opgevoegd, worden de voegen eerst uitgekrabd en zal de aannemer, onder zijn verantwoordelijkheid, de verenigbaarheid van beide mortels nagaan.

Thermische spouwmuurisolaties
De platen mogen geen voedingsbodem vormen of doen ontstaan voor ongedierte, bacteriën of schimmels en tasten de andere bouw-elementen niet aan; ze zijn tevens onrotbaar,niet ontvlambaar en blijvend waterafstotend. De platen hebben een hoogte van 0,60 m. De thermische geleidbaarheid wordt gemeten volgens NBN B62-201. Op het thermisch isoleren van gevels zijn de bepalingen van de TV 178 van toepassing. De platen worden in zo groot mogelijke afmetingen in verband en aaneengesloten geplaatst. Koudebruggen en vervormingen van de isolatielaag worden vermeden. Beschadigde plaatdelen mogen niet verwerkt worden. Perforaties van het isolatiemateriaal worden tot een minimum beperkt door een aangepaste keuze van de vorm en de plaatsings-wijze van de spouwankers. Bij de aanzet op of onderbreking door de vochtisolatie worden de platen afgeschuind volgens de helling van de vochtisolatie.

Prefablateien
De lateien zijn gemaakt uit warm verzinkt constructiestaal, staalkwaliteit minstens Fe360B (of S235JR volgens EN 10025-1993). De verschillende elementen worden via puntlassen samengevoegd. Het verzinkwerk gebeurt na het samenlassen van de verschillende onderdelen, na alle bewerkingen zoals snijden, boren, enz. ... en het opkuisen van de lassen. De minimale gemiddelde laagdikte van de verzinking bedraagt 85 µm (of minimum gemiddelde massa per oppervlakte 600 g/m²) De zijdelingse opleg bedraagt minstens 20 cm. Bij beschadiging van het verzinkte materiaal worden volgende richtlijnen in acht genomen wat betreft de reconditionering van de stukken: ontroesten van de beschadigde delen door krachtig borstelen of stralen, vervolgens aanbrengen met de borstel van 2 lagen zinkrijke verf. De totale laagdikte bedraagt minstens 100 µm. Deze zinkrijke verf bevat minstens 90% (massaprocent) zink in de droge film.